37. Waarom luidt de klok ook voor jou?

37

Waarom luidt de klok ook voor jou?

Julian van der Wouden·10 min leestijd

Vierhonderd jaar geleden lag een priester in Londen met koorts in bed. Uit de kerk naast hem kwam het trage geluid dat betekende dat er in de parochie iemand op sterven lag.

Hij wist niet wie. Zo ziek als hij was, vroeg hij zich af of de mensen aan zijn bed de kerk om dat geluid hadden gevraagd, voor hem, zonder het hem te zeggen.

Voor iemand die nog leefde

In 1604 legde de Engelse staatskerk, de Church of England, haar regels voor elke parochie vast in 141 canons, kerkelijke wetten. Canon 67 gaat over wat de geestelijke van de parochie moet doen als iemand daar ernstig ziek is. De laatste regels gaan over de klok. In mijn vertaling:

“En wanneer iemand bezig is uit dit leven te gaan, zal er een klok worden geluid, en zal de geestelijke zijn laatste plicht dan niet uitstellen. En na de dood van de betrokkene zal er, als het zo uitvalt, niet meer worden geluid dan één korte keer, en nog eens vóór de begrafenis, en nog eens na de begrafenis.”

Het langzame luiden kwam dus eerst, terwijl iemand nog leefde. Na de dood volgde alleen nog een korte reeks slagen. In het Engels heette die eerste klok de passing bell: de klok voor wie heengaat.

Waarom luid je voor iemand die nog niet dood is? In 1662 stuurde een bisschop de parochies onder zijn gezag een lijst met vragen, om na te gaan hoe het er in elke kerk aan toeging. Een van die vragen is of iemand verzuimt de klok voor de stervende te luiden, “waardoor goede mensen, in gedachten bij hun eigen sterfelijkheid en bij onze hele christelijke gemeenschap, zijn staat aan Gods genade kunnen aanbevelen”.

In gewone woorden: wie de klok hoorde, dacht aan zijn eigen dood en bad voor wie op sterven lag.

Wat was de klok voor de stervende?

Dat was de kerkklok die in Engeland langzaam werd geluid terwijl iemand in de parochie op sterven lag. Een kerkwet uit 1604 schreef hem voor. Een bisschop gaf in 1662 de reden: wie hem hoorde, zou aan zijn eigen sterfelijkheid denken en bidden voor de stervende. Na de dood volgde een korte reeks slagen.

Koorts in Londen

John Donne was een Engelse dichter en priester, en deken van St Paul’s Cathedral in Londen: de geestelijke die de kathedraal leidde. In die tijd werd hij zo ziek dat hij dicht bij de dood kwam. In bed schreef hij bij elke fase van zijn ziekte een overpeinzing, 23 in totaal. Hij gaf ze in 1624 uit als Devotions upon Emergent Occasions, vrij vertaald: gebeden en overpeinzingen bij wat je onverwacht overkomt.

In de zestiende overpeinzing ligt hij te luisteren naar de klokken van de kerk naast hem, die luiden voor de ene begrafenis na de andere. Bijna altijd, schrijft hij, was het iemand die hij kende, of van wie hij wist dat het een buurman was. Al die begrafenissen van mannen zoals hij gaven hem wat hij “a comfort whensoever mine shall come” noemt: een troost voor als zijn eigen dood zou komen.

Een lage rij zwarte daken en schoorstenen op de horizon met één kerktoren en een klok in de open top, en één figuur die net buiten de huizen staat, gedraaid naar de toren, onder een sterrenhemel
Bijna elke klok naast zijn huis luidde voor iemand die Donne kende.

In de zeventiende verandert het geluid. Nu luidt de klok langzaam, voor iemand die op sterven ligt, en Donne weet niet voor wie. Misschien, schrijft hij, denk ik dat het beter met me gaat dan het gaat, en hebben de mensen om me heen, die zien hoe ik eraan toe ben, de klok voor mij laten luiden zonder dat ik het weet.

De klok die hij hoorde, kon zijn eigen klok zijn.

Een paar regels verder staat de zin die iedereen citeert: “any man’s death diminishes me, because I am involved in mankind, and therefore never send to know for whom the bell tolls; it tolls for thee.” In mijn vertaling: de dood van ieder mens maakt mij kleiner, omdat ik deel ben van de mensheid, dus stuur nooit iemand om te vragen voor wie de klok luidt, hij luidt voor jou.

Daarna doet hij waarvoor die klok werd geluid. Aan het eind van de zeventiende overpeinzing bidt hij voor de onbekende stervende, en vraagt hij God om goed te maken hoe weinig tijd die man nog heeft. In de achttiende gaat het trage luiden over in een krachtiger luiden. De man is gestorven.

Waarom gaat de dood van een ander jou aan, volgens Donne?

Hij geeft twee redenen in één alinea. De klok luidt voor jou omdat jij ook doodgaat: Donne lag zelf met koorts in bed en wist niet eens of de klok voor hem was. En hij luidt voor jou omdat je bij de mensheid hoort, zodat je bij elke dood iets verliest.

Rouwen om mensen die je nooit hebt ontmoet

Elke klok die luidt voor de dood van een onbekende, luidt ook voor jou.

De gedachte achter die zin kwam ik tegen in een column van René Diekstra, een Nederlandse psycholoog. Met die klok eindigt zijn column. Daarvoor schrijft hij over rouw, en trekt hij die door naar de hele wereld: “alleen wie kan rouwen over de pijn in de wereld (zoals de pijn in Gaza of Soedan), kan van de wereld, van het leven, van anderen houden.”

Dan haalt hij For Whom the Bell Tolls aan, de roman uit 1940 van de Amerikaanse schrijver Ernest Hemingway over de Spaanse Burgeroorlog. De titel is Engels voor ‘voor wie de klok luidt’. Hemingway heeft volgens Diekstra “zo ontzettend gelijk”: die klok luidt ook altijd voor jou. Eigenlijk is dat het antwoord van Donne. Hemingway zette een deel van Donnes passage voor in zijn roman.

Maar klopt het ook? Ga je meer om onbekenden geven als je aan je eigen dood denkt?

Voor de deur van een uitvaartcentrum

In 2002 onderzochten de psycholoog Eva Jonas en drie collega’s iets wat daar dicht bij komt. Ze noemden wat ze vonden het Scrooge-effect, naar Ebenezer Scrooge, de vrek uit A Christmas Carol, een kerstverhaal van de Engelse schrijver Charles Dickens. Scrooge wordt vrijgevig nadat een geest hem zijn eigen graf laat zien.

In de eerste proef vroegen ze mensen op straat hoe ze dachten over twee goede doelen die ze zelf belangrijk vonden. Een deel van hen werd vlak voor een uitvaartcentrum aangesproken, de rest een paar straten verderop. Wie voor het uitvaartcentrum stond, was positiever over die goede doelen.

In de tweede proef moesten mensen eerst aan hun eigen dood denken. Een vergelijkingsgroep kreeg een onaangenaam onderwerp dat niets met sterven te maken had. Daarna konden ze geld geven aan een doel in de Verenigde Staten en aan een doel in het buitenland. Wie aan de dood had gedacht, gaf meer aan het Amerikaanse doel. Aan het doel in het buitenland gaven ze niet meer dan de anderen.

Bij het uitvaartcentrum werden mensen hartelijker, en in de tweede proef bleef die hartelijkheid dicht bij huis.

Donnes passage gaat verder. In dezelfde alinea als de klok schrijft hij: “If a clod be washed away by the sea, Europe is the less.” Spoelt de zee één kluit aarde weg, dan is Europa kleiner. Ook een kluitje dat ver van jou wegspoelt, maakt het hele vasteland kleiner.

Een dichte groep zwarte silhouetten schouder aan schouder op een kustlijn, en één figuur op een klein stuk land dat over een strook water wegdrijft, onder een sterrenhemel
Spoelt er één kluit aarde weg, dan is voor Donne het hele vasteland kleiner.

Maakt de gedachte aan je eigen dood je vrijgeviger?

In een onderzoek uit 2002 onder leiding van de psycholoog Eva Jonas wel, tot op zekere hoogte. Mensen die vlak voor een uitvaartcentrum werden ondervraagd, waren positiever over goede doelen die ze belangrijk vonden. Wie net aan zijn eigen dood had gedacht, gaf meer aan een doel in het eigen land, en niet meer aan een doel in het buitenland.

Koppen en sirenes

Over de dood van een onbekende hoor je nu meestal op een andere manier: een kop in het nieuws, een getal uit een oorlog ver weg, een sirene in je straat.

De oefening hieronder volgt de drie overpeinzingen van Donne, en is door geen onderzoek getoetst.

Wat kun je doen als je hoort dat een onbekende is gestorven?

Volg de volgorde van Donne. Zoek niet eerst op wie het was. Laat het even over jou gaan: jij gaat ook dood. Richt je daarna op wie gestorven is en op de mensen aan dat bed. Bid je, bid dan voor hen, zoals Donne deed. Bid je niet, houd hen dan één minuut in gedachten voor je verdergaat.

Eerst je eigen uur

Ik bouwde Last Hour Experience als één uur dat je alleen doorbrengt, met een koptelefoon op, alsof het je laatste is. Tegen het einde schrijf je een afscheidsbrief, aan wie je maar wilt. Donne had koorts en een kerk naast de deur nodig om zijn eigen klok te horen. De bisschop van 1662 zette de stappen op volgorde: eerst denk je aan je eigen sterfelijkheid, dan richt je je op de onbekende die sterft. Aan wie zou jij na zo’n uur denken, de volgende keer dat je de naam van een onbekende in het nieuws leest?

Vragen die mensen stellen. Eén van die mensen ben ik.

Schreef John Donne ‘vraag niet voor wie de klok luidt’?

Niet letterlijk. John Donne, de Engelse dichter en priester, schreef in 1624 in zijn Devotions upon Emergent Occasions: “never send to know for whom the bell tolls; it tolls for thee.” Dat betekent: stuur nooit iemand om uit te zoeken voor wie de klok luidt, hij luidt voor jou.

Komt de bekende zin ‘Niemand is een eiland’ uit een gedicht van John Donne?

Nee, John Donne schreef het als proza. In het Engels staat er “No man is an island”: geen mens staat op zichzelf, want ieder mens is volgens Donne “a piece of the continent”, een stuk van het vasteland. Het komt uit de zeventiende overpeinzing van zijn Devotions upon Emergent Occasions uit 1624, uit dezelfde lange alinea waarin ook de klok voor jou luidt. Vaak wordt het in korte regels afgedrukt, als een gedicht.

Waarom noemde Hemingway zijn roman For Whom the Bell Tolls?

Ernest Hemingway, de Amerikaanse schrijver, haalde de titel uit de zeventiende overpeinzing van John Donne en zette een deel van die passage voor in het boek. De roman uit 1940 volgt Robert Jordan, een jonge Amerikaanse vrijwilliger in de Spaanse Burgeroorlog, die een brug moet opblazen.

Moet je gelovig zijn om iets te hebben aan de klok van John Donne?

John Donne was priester, en zijn overpeinzing staat vol met God. De reden in zijn bekendste zin heeft geen geloof nodig. Elke dood maakt hem kleiner, schrijft hij, omdat hij deel is van de mensheid. Die gedachte kan iedereen hebben, gelovig of niet.

Bronnen

Devotions upon Emergent Occasions van John Donne, de Engelse dichter en priester, gedrukt in Londen in 1624. Overpeinzing 16 tot en met 18 en het gebed na de zeventiende gaan over de klokken. De uitgave bij Project Gutenberg, een online bibliotheek van oude boeken, bevat ook het verslag van Donnes ziekte door Izaak Walton, een Engelse schrijver die een vroege levensbeschrijving van Donne maakte. De vertalingen zijn van mij.

The Constitutions and Canons Ecclesiastical of the Church of England, de kerkelijke wetten van 1604, in een uitgave uit 1874 met aantekeningen van Mackenzie Walcott, een geestelijke van de kathedraal van Chichester. Canon 67 noemt de klok, en de aantekening eronder citeert de vraag van de bisschop uit 1662. Ik las de scan bij het Internet Archive, een online bibliotheek. De vertalingen zijn van mij.

The Scrooge Effect, het onderzoek uit 2002 van Eva Jonas, Jeff Schimel, Jeff Greenberg en Tom Pyszczynski in Personality and Social Psychology Bulletin, een wetenschappelijk tijdschrift over psychologie. De twee proeven met het uitvaartcentrum en de goede doelen staan in de samenvatting die het tijdschrift bij het artikel publiceert.

Voor wie de klok luidt, een column van René Diekstra, Nederlands psycholoog, online verschenen in het Noordhollands Dagblad. De citaten komen uit de gedrukte krantenpagina die ik tegenkwam.

For Whom the Bell Tolls op de Engelse Wikipedia, de online encyclopedie, voor de feiten over de roman van Hemingway.

  • Eén filmisch uur, alleen, waarin je je eigen laatste uur beleeft. Daarna een gids die je inzichten omzet in keuzes.
  • Eén aankoop. Elk jaar terugkeren. Geen abonnement.
  • Jarenlang ontwikkeld, van live seminars met echte kisten naar dit uur thuis.
  • Raakt je eerste uur je niet? Ik betaal je volledig terug. Eén e-mail is genoeg.

Veilig afrekenen. Direct toegang.